




Nog in bewerking
In oktober 2007 heeft de minister van LNV de beleidsnota Invasieve exoten aan de Tweede Kamer toegezonden.
Met geen woord wordt in de beleidsnota of in de begeleidende brief aan de Tweede Kamer gerept over het Achtergronddocument, dat het ministerie ten behoeve van de beleidsnota had laten maken. In dat document werd de Minister uitdrukkelijk geadviseerd bij het beleid het voorzorgbeginsel te hanteren. Dus: uitgaan van de schadelijkheid, tenzij het tegendeel aangetoond is.
Uit de beleidsnota blijkt dat de minister geen gehoor heeft gegeven aan dit zeer wezenlijke advies. Door het bestaan van het achtergronddocument te verzwijgen, hoefde de minister de afwijking van het advies niet te verantwoorden.
Wat het beleid van LNV inhoudt blijkt uit onderstaande tekst van de kwartiermaker van het Coördinerend Orgaan Invasieve Exoten (dat er uiteindelijk niet gekomen is, en waar het Team Invasieve Exoten voor in de plaats is gekomen), in een document opgesteld in het kader van de Signaleringspilot:
“Wanneer wordt er actie ondernomen tegen een exoot?
LNV overweegt alleen actie tegen
een exoot als deze flinke schade veroorzaakt aan de natuur (of dat naar verwachting
kan gaan doen). Tegen de meeste exoten, die geen schade veroorzaken, zal LNV niets
doen.
Introductie van een invasieve exoot vergroot per definitie de biologische homogenisering
en vermindert daarmee de mondiale biodiversiteit. Hoewel de leider van het Team
Invasieve Exoten blijkens uitspraken in een krantenartikel dit zogeheten “McDonalds-
Als er sprake is van “flinke schade” is het vaak al te laat om de populatie uit te roeien, en is dus sprake van een onomkeerbare situatie. Bovendien wordt alleen gesproken over schade aan de natuur. Op basis van dit beleid grijpt de overheid niet in als er “alleen maar” sprake is van schade aan milieu, gezondheid, welzijn, waterbeheer, energievoorziening, horeca en recreatie of economie.
Uit de factsheets die voor deze site zijn opgesteld, blijkt dat alle beschreven invasieve exoten schade veroorzaken, maar dat de rijksoverheid slechts zeer zelden iets doet aan preventie van de invoer.
Als ze iets aan preventie doet, kiest de overheid vaak voor een convenant als instrument (voorbeeld: tijgermug, ambrosia, waterplanten). Dit ondanks het feit dat er voldoende wettelijke mogelijkheden voorhanden zijn en een convenant voor preventie van exoten een ondeugdelijk instrument is, alleen al omdat nieuwe importeurs en handelaren er niet aan gebonden zijn.
Tijdsbesparing levert een convenant ook niet op, want met het opstellen van de convenanten voor waterplanten en ambrosia is men al sinds 2007 bezig.
Voor enkele invasieve zoogdieren en vogels heeft de rijksoverheid bepaald dat provincies deze mogen aanwijzen om te bestrijden. Maar niet alle provincies hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Alleen uit een enkele brief over een enkele soort (zoals de rosse stekelstaart) blijkt dat de minister soms een poging doet om de provincies aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Maar zelfs als de provincies van hun aanwijzingsbevoegdheid gebruikmaken, is nog
niet gewaarborgd dat bestrijding plaatsvindt. Jagers vinden de administratieve regels
die aan de bestrijding worden gesteld soms zo omslachtig, dat zij -
Voor veruit de meeste schadelijke invasieve exoten doet de rijksoverheid helemaal niets aan preventie en bestrijding.