De vestiging en verspreiding van invasieve exoten in Nederland heeft diverse schadelijke effecten tot gevolg. Iedere soort heeft zijn eigen specifieke effecten (vaak meerdere), maar de effecten kunnen als volgt worden gerubriceerd:
- schade voor natuur en biodiversiteit
- schade voor het milieu
- schade voor de land- en tuinbouw
- schade voor de volksgezondheid
- schade voor het welzijn
- schade voor het waterbeheer
- schade voor de energievoorziening en de industrie
- schade voor gebouwen
- schade voor horeca en recreatie
- economische schade
∆ Schade voor natuur en biodiversiteit
Mondiaal: biologische homogenisering oftewel het McDonalds-effect
Elk ecosysteem in de wereld heeft van oorsprong zijn eigen unieke samenstelling van soorten. De introductie van invasieve exoten in die ecosystemen leidt op mondiaal niveau tot een homogenisering (oftewel nivellering) van de biodiversiteit.
Elke introductie van een invasieve soort in een gebied waar hij nog niet voorkwam betekent dus per definitie een aantasting van de mondiale biodiversiteit.
De biologische homogenisering heeft ook een esthetisch aspect. Er is een vergelijking te trekken met het zogeheten “McDonalds-effect”, waarbij je in elke uithoek van de wereld een filiaal van McDonalds tegenkomt. Naast een culturele homogenisering ontstaat door de ongebreidelde invoer en uitvoer van invasieve exoten nu ook een wereldwijde homogenisering van de natuur. Op steeds meer plekken in de wereld kom je dezelfde dier- en plantensoorten tegen. Zag je bijvoorbeeld halsbandparkieten vroeger alleen tijdens een reis in Azië, nu kom je ze in grote getalen op allerlei plekken in Nederland tegen, en ook in andere Europese landen.
Lees hierover meer in dit (Engelstalige) artikel.
Blijkens uitspraken in een krantenartikel van 23 mei 2009 onderkent het ministerie van LNV (in de persoon van Wiebe Lammers, van het Team Invasieve Exoten) dat het McDonalds effect moet worden tegengegaan. Maar als het gaat om toepassing van dit beginsel in de praktijk, blijft dit aspect bij het ministerie geheel buiten beschouwing.
Nationaal: schade voor inheemse natuur en nationale biodiversiteit
De inheemse fauna en flora kunnen op verschillende manieren schade ondervinden van invasieve exoten. Vaak gaat het om een combinatie van meerdere effecten:
- predatie
- parasitisme
- concurrentie
- genetische vervuiling
- indirecte effecten
Daarbij geldt bovendien dat het voorspellen van deze effecten zeer moeilijk is.
Predatie
De invasieve soort voedt zich met een inheemse soort, waardoor die in aantal achteruit gaat. Als de invasieve soort zich ook met andere soorten kan voeden, blijft hij talrijk als de inheemse soort schaars is geworden. Voorbeeld: het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje, dat op verschillende plekken in Nederland alle inheemse soorten lieveheersbeestjes heeft opgegeten, en die zich daar nu voedt met andere insecten en larven daarvan.
Parasitisme
De invasieve soort is (of verspreidt) een ziekteverwekker of parasiet waar de inheemse soort geen weerstand tegen heeft. Voorbeeld: Verschillende exotische eekhoornsoorten (zoals de grijze eekhoorn) kunnen een virus bij zich dragen waar ze zelf niet ziek van worden, maar de inheemse rode eekhoorn wel.
Concurrentie
De invasieve soort concurreert met een inheemse soort om zaken als leefruimte, voedsel en nestgelegenheid. In extreme gevallen kan de invasieve soort een gebied geheel overwoekeren of anderszins domineren (swamping).Voorbeelden: de halsbandparkiet concurreert wat betreft nestelplaatsen met andere holenbroeders zoals de boomkruiper. De rode vuurmier concurreert met inheemse mierensoorten. Planten zoals reuzenberenklauw, Amerikaanse vogelkers, parelvederkruid en Japanse duizendknoop kunnen grote gebieden geheel bedekken en ander leven (vrijwel) onmogelijk maken.
Genetische vervuiling
Sommige invasieve exoten kunnen kruisen met inheemse soorten. De oorspronkelijke inheemse soort raakt daardoor genetisch vervuild en verdwijnt na verloop van tijd geheel. Voorbeeld: de rosse stekelstaart die kruist met de witoogeend, waardoor die laatste dreigt te verdwijnen.
Indirecte effecten
Sommige invasieve exoten kunnen hun (nieuwe) leefomgeving veranderen, waardoor inheemse soorten schade ondervinden. De rode vuurmier (die enorm grote superkolonies kan vormen) scheidt een chemische stof af waardoor de van nature aanwezige bodemorganismen daar niet meer kunnen leven. Ambrosia brengt een chemische stof in de bodem, waardoor andere planten er niet meer kunnen groeien.
De schade die inheemse soorten ondervinden kan – op korte of langere termijn – negatieve effecten hebben op de biodiversiteit in Nederland, namelijk als een inheemse soorten hier uiteindelijk door de introductie van invasieve exoot geheel uitsterft. Zo komen in sommige gebieden door toedoen van het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje al geen inheemse lieveheersbeestjes meer voor.
Voorspelling effecten op natuur zeer moeilijk
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om schadelijke effecten van invasieve exoten op de inheemse natuur exact te voorspellen.
Er zijn tal van complicerende factoren:
De invasieve soort kan zich soms binnen vrije korte tijd aanpassen aan de Nederlandse leefomgeving (o.a. geldt dit voor sommige insecten, die een zeer snelle opvolging van generaties kennen)
De Nederlandse leefomgeving verandert zelf ook, onder meer door de klimaatverandering. Daardoor wordt Nederland aangenamer voor soorten die houden van warme zomers en zachte winters.
Vaak is sprake van introductie van meerdere invasieve exoten tegelijk, die een elkaar versterkend effect kunnen hebben
De relaties tussen de soorten in het ecosysteem zijn dynamisch, zeer complex en voor een groot deel onbekend
Als een invasieve soort lange tijd in lage aantallen voorkomt, hoeft dat niet te betekenen dat dit altijd het geval zal blijven. Er zijn voorbeelden van plotselinge groei-explosies die pas na tientallen jaren plaatsvonden.
Kortom: er is alle reden om bij introductie van invasieve exoten in de natuur het voorzorgbeginsel te hanteren. Dit houdt in: geen introductie tenzij voor 100% zeker is dat de soort geen schade zal opleveren.
∆ Schade voor het milieu
Sommige invasieve soorten hebben een direct effect op het milieu, zoals de rode vuurmier en ambrosia, die de chemische samenstelling van de grond veranderen. Een veel groter aantal soorten brengt indirect schade aan het milieu met zich mee doordat vaak chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt om ze uit te roeien danwel hun aantallen enigszins binnen de perken te houden.
Bij export van levend materiaal vindt bestrijding van pathogenen soms al plaats in het exporterende land, om handelssancties te voorkomen. Daarbij worden vaak sterk toxische breed-spectrum ontsmettingsmiddelen gebruikt.
Is een schadelijke soort toch binnengedrongen, dan wordt vaak geprobeerd hem te isoleren en uit te roeien. Dat gebeurt chemisch, mechanisch of biologisch. Heeft de soort zich desondanks verspreid, dan rest niets anders dan reguleren. Ook dat kan chemisch, mechanisch of biologisch.
In Nederland is een groot deel van het bestrijdingsmiddelengebruik in de landbouw toe te schrijven aan invasieve exoten, zoals de schimmel Phytophthora infestans.
∆ Schade voor de land- en tuinbouw
Schade voor de landbouw
Voor de landbouw schadelijke soorten zijn bijvoorbeeld de schimmel Phytophtohora infestans, de bacteriën ringrot en bruinrot, het aardappelvirus Y, het tomatenbronsvlekkenvirus, de Floridamot, de anjerspintmijt, de nematoden Meloidogyne chitwoodi en Meloidogyne. fallax en knolcyperus.
Invasieve exoten die schade opleveren voor de tuinbouw zijn bijvoorbeeld Trialeurodes vaporariorum, Chrysodeixis chalc., Liriomyza trifolii, Adoxophyes orana en Eriosoma lanigerum.
Van oudsher is de Plantenziektenkundige Dienst zeer alert op invasieve exoten die schade kunnen opleveren voor de land- en tuinbouw. Bij ontdekking worden direct quarantaine- en bestrijdingsmaatregelen uitgevoerd.
Schade voor de veehouderij
Net als bij de land- en tuinbouw, is de Nederlandse overheid zeer alert op invasieve exoten (met name dierziekten) die schade kunnen opleveren voor de veeteelt. Denk maar aan de grootschalige quarantaine- en ruimingsmaatregelen die werden uitgevoerd bij de uitbraak van varkenspest, (in 1997), mond- en klauwzeer (in 2001) en vogelpest (in 2003).
Schade voor de bijenhouderij
Bijen produceren niet alleen maar honing, maar spelen ook een belangrijke rol bij de bestuiving van onder meer consumptiegewasssen, zoals fruit. De bijenhouderij ondervindt regelmatig schade van invasieve exoten. Een voorbeeld is de varroamijt. Zonder bestrijding gaat een besmet bijenvolk binnen vier jaar te gronde. De varroamijt begint echter al resistentie te ontwikkelen voor bepaalde bestrijdingsmiddelen.
∆ Schade voor de volksgezondheid
Invasieve exoten kunnen op verschillende manieren effect hebben op de volksgezondheid. De soort kan zelf een ziekteverwekker zijn, de soort kan een vector zijn voor ziekteverwekkers en de soort kan op andere manieren schadelijk zijn voor de gezondheid.
Ziekteverwekkers
Als het gaat om de invoer van invasieve bacteriën en virussen die voor de mens ziekteverwekkend zijn (doorgaans personen die een besmetting in het buitenland hebben opgelopen), is de overheid doorgaans zeer alert. De ziekten moeten door de huisarts gemeld worden aan de GGD’s, die brononderzoek uitvoeren en waar nodig personen in quarantaine plaatsen. De meldingen worden centraal geregistreerd door het RIVM. Voorbeelden: knokkelkoorts, malaria en buiktyfus.
Vectoren voor ziekteverwekkers
Als het echter gaat om de invoer van dieren en planten die deze ziekteverwekkers bij zich kunnen dragen en op mensen kunnen overdragen (zogeheten vectoren), treedt de overheid minder snel en adequaat op. Voorbeeld: de tijgermug,